voor Uitwendige Therapie - Boodschap
Laatbloeier

U kent dat vast wel dat je in oktober nog verrast wordt door een plantje in de tuin die ineens in bloei staat, heel de zomer niets gedaan en ineens staat ie d’r.



Ik schaar mij zelf ook onder de laatbloeiers. Zo’n plantje dat de tijd nodig heeft om te ontkiemen, te groeien en uiteindelijk tot bloei te komen. In mijn geval een knopje te vormen. De eigenlijke bloei, voel ik, mag nog komen. Het voorzichtige ontstaan van een knopje, mijn eerste kennismaking met de antroposofie was in 1988, ik was toen 22 jaar. Ik liep als niets vermoedende leerling-ziekenverzorgende een kapel in een verpleeghuis binnen. Ik weet nog dat mijn mond langzaam openging en dat ik van binnen heel stil werd. Ik dacht niets. Ik voelde alleen. Ik ben niet religieus opgevoed, had niets met het geloof, maar hier stond ik alleen in een kleine kapel en wist 100% zeker dat dit hier klopte. Deze kapel was onderdeel van het Rudolf Steiner verpleeghuis in Den Haag. Ik was hier met mijn klas voor een rondleiding en een korte kennismaking met de antroposofie. De woorden zeiden mij nog niet zoveel maar de indruk in de kapel des te meer. Nu wilde ik wel antwoorden op vragen die toen ontstonden maar als ik iets meer wilde weten kreeg ik steevast te horen; “Lees maar een boek”.Omdat ik niet wist welk boek en omdat ik ook meer een mens ben van gewoon doen, duurde het even voordat ik me met de antroposofie kon verbinden. Daar waren in mijn geval eerst twee kinderen voor nodig, die konden dan fijn naar de Vrije school en later toen dat nodig was naar het Therapeuticum. En daar zag en beleefde ik dus praktisch wat de antroposofie kon betekenen.

Ondertussen werkte ik natuurlijk nog in een verpleeghuis waarin ik me steeds meer ging afvragen waar het lijden, wat ik elke dag weer tegen kwam, voor diende en wat ik meer kon doen dan de alledaagse zorg geven die ik tot dat moment gaf. Ik was dus op zoek naar zingeving. Na wat gezoek vond ik toen ik 33 jaar oud was een opleiding die me antwoord op deze en andere vragen kon geven; ‘De opleiding antroposofische verpleegkunde’. Tijdens deze opleiding kregen we lezingen van verschillende werkers uit het veld, zo ook van een antroposofisch verpleeghuisarts die ons heel wat gezichtspunten gaf over de psychogeriatrie. Ondermeer vertelde zij hoe je vanuit karma kon kijken naar dementie. Zij kwam met een citaat waarvan zij de bron niet met zekerheid kon vermelden. Ze vertelde dat mensen met dementie de ‘creatieve spirituele geesten van de toekomst’ konden zijn. Dat deze mensen als het ware in dit leven iets ‘opofferen’, zodat dit in een volgend leven opnieuw kon worden opgebouwd en zij daardoor de wereld een nieuwe impuls kunnen geven.Nu hoef je dit niet met zekerheid aan te nemen, dat deed ik ook niet, maar het gaf mij wel de ruimte om op een andere manier naar het lijden van deze mensen te kijken; vanuit het karma van het verleden of van de toekomst. En zo werd dementie niet alleen zinloos lijden voor de persoon in kwestie. Ook voor de naasten kan het veel betekenen, er is ook zo iets als groepskarma. Wat kan het bijvoorbeeld betekenen voor de intermenselijke relatie als een familielid Alzheimer krijgt. Families kunnen dan ook dichter bij elkaar komen door samen de zorg te delen. Ik heb in mijn werk dan ook mooie dingen zien gebeuren.

Het tweede wat mij enorm aansprak was de manier waarop kruiden werden bestudeerd zodat je een beeld kon vormen van de plant en dit ook naast het beeld van een patiënt kon zetten. Op deze manier kan  je tot een goede keuze voor een behandeling  komen. De plantenstudie is nog steeds een wezenlijk deel van mijn werk. Geïnspireerd door de fenomenologie van Goethe waarin 4 stappen te zijn onderscheiden; 1, de feiten; Het object (in dit geval een plant) feitelijk bekijken zonder te worden afgeleid door eigen oordelen. Wat is er te zien, te wegen, te tellen of te meten. 2, Plaatsen in de tijd; Hoe groeit een plant, wanneer komt hij tot bloei enz. enz. 3. De kwaliteit; Je gaat een relatie aan met de bestudeerde plant, wordt vriendjes. Ja, je mag zelfs verliefd worden (ikzelf heb al verschillende buitenechtelijke relaties met o.a. de rozemarijn en de appelboom in mijn tuin) beleef de kwaliteit. 4, Het wezenlijke; Je moet nu een stapje terug doen, wat zegt deze plant tegen mij, luisteren. Een wezenlijke ontmoeting van wezen tot wezen. Nu viel mijn liefde voor genees-krachtige kruiden niet ineens uit de lucht. Net zoals een plantje in het onzichtbare een ontwikkeling doormaakt onder de grond, was ik er in mijn leven, als ik zo terugkijk, al een beetje op voorbereid. Toen ik klein was wandelde ik graag door de bossen van Bakkum. Mijn vader liet mij dan zien hoe bepaalde planten en of bomen groeiden. Daar sprak verwondering uit. Ik werd als stads meisje van vijf bij de hand genomen en stapte de wonderlijke wereld van de natuur binnen. Genoten heb ik daar van. Toen ik later ook nog ontdekte dat bepaalde planten geneeskrachtige eigenschappen hadden, was ik niet meer te stoppen. Ik was dertien en de meesten tieners in mijn tijd spendeerde al hun geld bij de plaatselijke muziekshop maar ik hing rond bij het kruidenwinkeltje waar allerlei gedroogde kruiden in mooie bakken en flessen tentoongesteld werden. Als een kind in een snoepwinkel keek ik naar al die grote apothekersflessen gevuld met duizendblad, paardenbloem, brandnetel (bloedzuiverend dus goed tegen puistjes) en kamille. Geregeld kocht ik daar kruiden om zelf uit te proberen en nam mengseltjes mee voor anderen waarvan ik dacht dat die dat ook wel konden gebruiken.

Toen wij voor het eerst in de opleiding de uitwendige therapie, waaronder de ritmische inwrijvingen, gingen behandelen, viel alles op zijn plaats. Ik was 33 en ik wist met een grote zekerheid wat ik ‘later’ wilde worden.Ook dit was in het verborgene al voorbereid. Als 18-jarige in de opleiding tot schoonheidspecialiste, leerde ik de lichaamsmassage kennen. Het geven daarvan, maakte bij mij iets duidelijk. Ik merkte dat mijn handen voor mij van wezenlijk belang waren. In mijn werk zijn mijn handen altijd belangrijk gebleven, verplegen doe je nu eenmaal met hoofd, hart en handen. Als 18-jarige werd mij ik bewust van mijn handen. Door de opleiding voor antroposofisch verpleegkundige ontwikkelde ik bewustzijn in mijn handen. Zo kan ik met aandacht in mijn handen een ademend ritme in de beweging laten ontstaan. En nu houdt ik me dus bezig met het geven van ritmische inwrijvingen, wikkels en kompressen en badtherapie. De wikkels en kompressen kan men ook eventueel, na een instructie, thuis uitvoeren. Ik probeer in mijn werk rust en ruimte te scheppen en een veilige omgeving te creëren, zodat de mensen die bij mij komen zich makkelijker kunnen overgeven aan de behandeling. Op deze manier kunnen we ook eerder bij de vraag komen wat er nu gewild word. Meestal is dat rust. In deze snelle tijd merk je dat voor ziek zijn weinig ruimte is, dat moet zo snel mogelijk over zijn omdat de omgeving er toch van uit gaat dat er bepaalde zaken gewoon doorgaan, het werk moet af, de kinderen naar school, het huis aan kant, kortom we moeten iedereen tevreden houden. Dat we ons zelf daar heel vaak bij vergeten ach ja dat moet dan maar. Als dan de batterijen echt op zijn dan hebben we wat hulp nodig om het evenwicht weer te herstellen. Door de manier waarop ik mijn behandelingen geef wil ik deze mensen weer terug brengen naar zichzelf, want daar begint het herstel. Het inpakken, een wezenlijk deel van de behandeling, helpt daarbij. Mijn patiënten worden als het ware ingebakerd. De omhulling die dat geeft doet je herinneren aan een baby in de wieg. Het is ook zo stil mogelijk tijdens een behandeling; ook deze stilte helpt mijn patiënten beter bij zichzelf te komen. Voor een gesprekje is tijd voor of na de behandeling.  Een belangrijk aspect van de uitwendige therapie is het ontwikkelen van warmte verdeeld over het lichaam. Dus niet een teveel aan warmte, bij koorts, of een gestuwde warmte, nee een aangename gloedvolle warmte verdeeld over het lichaam. Want waar warmte is, is bewustzijn. De uitwendige therapie doet dan ook een appèl aan de Ik-organisatie. Ik merk tijdens een reeks behandeling bijvoorbeeld dat mensen ineens gaan zeggen; hè, ik heb voeten, hierna gaan we dan pas voelen hoe koud ze zijn. Er is dan al wat bewustzijn, vervolgens worden de voeten warm, niet omdat ik er nu een kruik bijleg, maar omdat er een innerlijke beweging  van warmte is ontstaan naar die plekken in ons lichaam die dat ook nodig hebben. En dan zijn we bijna rond want als er dus aandacht is voor wat ons lichaam nodig heeft dan komt er dus ook vanzelf aandacht voor wat onze ziel nodig heeft. Kortom er kan weer geluisterd worden naar de signalen die ons lichaam ons geeft. 

Ik wil de mens die ik behandel weer laten ervaren hoe het natuurlijke evenwicht voelt, niet de stemmetjes die in ons hoofd rond  spoken en die ons menen te kunnen vertellen hoe het hoort, aan het woord laten, maar luisteren naar onze eigen innerlijke stem. Rust brengen in het hoofd, ruimte geven aan het hart en van daaruit de wil aanspreken om zaken aan te pakken op manier die bij ons past.  In eerste instantie ervaren patiënten deze therapie/zorg als verwennerij, soms is dat onwennig. Want het is toch wel erg lang geleden dat iemand je toe dekte en daarna wakker maakte met een kopje thee. Die zorg die wil ik een tijdje geven, tot dat iemand weet hoe ze dat voor zichzelf kunnen verzorgen.